ROZENBURG SNIJDT IN PERSONEELSKOSTEN

Rotterdams Dagblad, 3 juli 2004

Het dreigend tekort op de begroting waarmee Rozenburg de komende jaren kampt, zo’n half miljoen euro, moet sluitend worden gemaakt door het mes te zetten in personeelskosten van de gemeente. Ook in het groenonderhoud moet kritisch worden gekeken hoe daarop kan worden bezuinigd. Die boodschap heeft de gemeenteraad van Rozenburg het college van burgemeester en wethouders gisteravond meegegeven bij de behandeling van de kadernota voor 2005.

De onroerende zaak-belasting mag niet omhoog om het tekort van de gemeente te dekken, vinden alle fracties in de gemeenteraad, met uitzondering van D66. ,,Als je die laat stijgen tot 30 procent, ben je overal van af,” lichtte raadslid B. van der Vecht tijdens een schorsing van de vergadering het standpunt van zijn partij toe, maar daarin stond hij alleen.

Ook snijden in subsidies aan verenigingen kon niet rekenen op draagvlak in de gemeenteraad. ,,Verenigingen zijn het smeermiddel van een samenleving,” illustreerde fractievoorzitter L. Van der Meer (GBR), ,,je moet eerst goed aan je hoofd krabben voordat je daarop wilt bezuinigen.” Alleen Christenunie-raadslid S. Schutte – die halverwege de vergadering als voorzitter moest optreden omdat burgemeester De Sutter voor een noodgeval door de politie werd weggeroepen – sprak zich uit dat zijn partij op voorhand de subsidies aan verenigingen niet uitsluit van bezuinigingen.

Fietspaden
Het voorstel van VVD’er Groenewegen om een meevaller van ruim een miljoen uit de fusie van de waterleidingbedrijven te gebruiken om het tekort op de begroting te dekken, werd door wethouder R. Zeegers toegelicht. In de commissies voorafgaand aan de raadsvergadering werd duidelijk dat de meeste partijen de fietspaden aan de Laan van Nieuw Blankenburg en de Meeuwensingel er graag zien komen. De eenmalige meevaller zou ook daarvoor kunnen worden gebruikt. Zeegers rekende voor dat er nauwelijks verschil zit als het bedrag wordt gebruikt om de begroting te dichten, of er fietspaden van aan te leggen. ,,Je bespaart 50.000 euro per jaar als het waterleidinggeld in de algemene middelen verdwijnt, en 60.000 per jaar als je er fietspaden van aanlegt.” De wethouder bespeurde een neiging naar de aanleg van fietspaden.

Nog niet helemaal duidelijk is hoe groot het tekort uitvalt waarmee de gemeente Rozenburg te kampen krijgt. Na de septembercirculaire – die na Prinsjesdag wordt verspreid  – krijgen gemeenten meer zicht op de tegenvallende uitkeringen uit het gemeentefonds, maar de aantrekkende economie stemde Van der Meer hoopvol. Waar de Rozenburgse ambtenaren voorzichtig rekening houden met een tekort van zelfs 750.000 euro, zou het volgens het GBR-raadslid wel eens erg kunnen meevallen. ,,Het tekort is gebaseerd op aannames. De uitkering uit het gemeentefonds zou zelfs kunnen stijgen,” merkte Van der Meer op. Het deed het college de wenkbrauwen fronsen.

De komende vakantieperiode wordt gebruikt om het standpunt van de gemeenteraad uit te werken tot een conceptbegroting waarover in het najaar wordt gestemd.

POLITIEK ROZENBURG GOOIT HET ROER OM

Rotterdams Dagblad, 14 Mei 2004 

De Rozenburgse politiek is van plan er de resterende twee jaar van deze raadsperiode wat van te maken. De oppositie, die nu meestal buitenspel staat, zou meer bij de besluitvorming betrokken kunnen worden nu de coalitiepartijen bereid zijn ‘wisselende meerderheden’ te zoeken. Burgemeester Ria de Sutter voelt wel wat voor de D66-suggestie, om een extra beleidsprogramma te schrijven waar de hele raad achterstaat. De structuurvisie wordt genoemd als lakmoesproef.

Rozenburg – Ook is gisteravond afgesproken dat alleen de belangrijkste politieke onderwerpen waar nog wat over besloten kan worden, op de agenda komen. Er wordt niet meer over elk wissewasje urenlang gesproken. Bedoeling is allerlei zaken die al tijdens de begrotingsbehandeling zijn afgesproken door het college te laten uitvoeren. De Sutter wees op het belang de komende jaren voor belangrijke onderwerpen knopen door te hakken. Ze keek al met een schuin oog naar de provincie, die het liefst kleine gemeenten die niet goed functioneren, op den duur wil samenvoegen.

Bar slecht
De Rozenburgse raad keek gisteren, zoals de politici het zelf aangaven, in de spiegel. Aanleiding was een zelfonderzoek (door een extern bureau uitgevoerd) met een vernietigende uitkomst: de politieke verhoudingen zijn bar slecht. De raad herkende zich volkomen in de uitkomsten en beloofde een beetje on-Rozenburgs op een vriendelijke manier beterschap. Tot ongenoegen van GBR, dat wat meer vuurwerk had verwacht. De partij was ook teleurgesteld dat de burgemeester niet in het openbaar over haar functioneren wilde praten.

Aanleiding voor de zelfreflectie was een evaluatie van de manier waarop het dualisme – waarin raad en college onafhankelijker van elkaar werken, de raad meer de straat op kan en vooral het college moet controleren – in Rozenburg werkt. Of niet werkt. S. Schutte van de ChristenUnie merkte op dat de werkwijze vooral met de cultuur in het dorp te maken heeft. ,,Onze sterkte is dat we overal sterk bij betrokken zijn. De zwakte is dat we vaak primair reageren. Vanuit die constatering moet je zoeken naar verbeteringen. We zijn wat stijfkoppig en moeten leren onderhandelen.”

Een greep uit de suggesties: afgesproken is dat er in de commissies geen technische detailvragen meer worden gesteld, die kunnen schriftelijk worden afgehandeld. Is een onderwerp uitvoerig in de commissie besproken, dan kan het in de raad een hamerstuk zijn. Niet ‘mauwen’ over besluiten van de rijksoverheid. Niet praten om het praten. Het CDA wil af van het ‘hullie tegen ons’-gevoel. Burgers moeten eerder bij planvorming betrokken worden.

Wethouder Rien Olijve riep de raad op om het college ‘ruimte te geven’ bij de uitvoering van de afgesproken taken en niet voortdurend de wethouder om stapels informatie vragen, die weer tot nieuwe vragen leiden. ,,Heb meer vertrouwen, dan worden de agenda’s korter.”

Naast de ‘technische verbeteringen’ in de manier van vergaderen en aansturing van de ambtenaren, moet de Rozenburgse raad het oud zeer vergeten en meer samenwerken. De Sutter, voorstander van een a-politiek beleidsprogramma waarin ook de oppositie zich kan vinden, erkende dat partijen ook de behoefte hebben zich te onderscheiden van andere partijen. ,,We moeten een balans vinden tussen machtspolitiek en profileren.”

ER IS BIJ DE EU GEEN SODEMIETER VERANDERD

Sicco Wittermans
30 april 2004, HP/DETIJD

Vijf jaar geleden werd klokkenluider Paul van Buitenen door de EU kaltgestellt. Nu wil hij als europarlementariër zelf de misstanden in Brussel bestrijden. Want hij koestert nog altijd een Europees ideaal. “Europa is niet voor een kleine elite die alles bekonkelt”.

U start een politieke partij, I komt met een boek, U bent tegen het establishment – Een Europese Pim Fortuijn?
Fortuijn had over de politiek en de maatschappij veel beter nagedacht dan ik. Ik ben geen persoon die een maatschappelijke vernieuwingsbeweging wil starten. Ik signaleer slechts knelpunten. De gewone man en vrouw die op de EU zouden moeten vertrouwen, herkennen zichzelf niet meer in dat instituut. Dat is fundamenteel fout. Ik ben als ambtenaar in de loopgraven echt op wantoestanden gestuit, tegen zaken opgelopen die doelbewust ondoorzichtig worden gehouden. En dat soort dingen wil ik wel eens bloot gaan leggen.  Waar hebben we het over? Van de honderd miljard Euro die de EU uitgeeft, wordt een heel groot gedeelte verspild.
Hoeveel precies?
Ik kan mijn vinger pas achter de exacte omvang krijgen als ik europarlementariër ben. Maar er zijn aanwijzingen dat het om fikse bedragen gaat.
U hebt in 1998 als klokkenluider de val van de Commissie ingeluid. Moeten de hoge heren weer sidderen?
Ik hoop dat ik dat kan bereiken. Er is bij de EU namelijk geen sodemieter veranderd. De misstanden zijn niet aangepakt. Als je de illusie koestert dat de huidige Commissie bezig is om de zaak te hervormen, kom je van een koude kermis thuis. Niets van dat alles. Erger nog, het lijkt op sommige gebieden van kwaad tot erger te gaan.
Bijvoorbeeld?
De klokkenluiderregeling is bijvoorbeeld geen beschermingsregeling, het is een val. Je schept de illusie dat klokkenluiders hun mond open mogen doen en dat ze onder een beschermingsregel vallen. Maar de strikte regels voor het melden van onregelmatigheden zuigen de klokkenluider helemaal leeg. Aan het einde van de rit geeft hij geen sjoege meer. Bovendien komt de hele procedure uit bij de instantie waarover hij de misstanden wil melden. Daar heb je helemaal niets aan. Dan ben je per definitie ten dode opgeschreven.
Over wat voor smoezelige affaires hebt u het?
Het zijn er talloze. Ik licht er een grote uit. Al jaren waren er aanwijzingen voor fraude bij Eurostat, het bureau voor de statistiek van de EU. Er kwamen meldingen binnen over onregelmatigheden. (De directie sluisde minstens vijf miljoen euro weg naar privérekeningen,  red.) Maar daar werd nooit iets mee gedaan. Ambtenaren gingen zich bij mij beklagen: Paul, waarom doet de Commissie niets? De archieven worden geleegd, de dossiers worden weggehaald, mensen steken allerlei zaken weg. De verdachten kregen de kans om zich in te dekken. De Commissie heeft het laten liggen. Dat is pijnlijk. De interne accountant had vastgesteld dat met een derde van de transacties iets loos was. Dan hebben we het over honderden miljoenen euro’s. Maar een noodzakelijk vervolgonderzoek heeft nooit plaatsgevonden. De directeur-generaal is slechts overgeplaatst. Hij is niet -zoals de kleine Paul van Buitenen destijds- geschorst en op half salaris gezet. Nee, hij behoudt zijn rang en emolumenten. Hij krijgt zelfs toegang tot zijn oude dienst en heeft nauwe banden met zijn plaatsvervanger. Dan krijg je op een gegeven moment het gevoel: hier gebeurt helemaal niets.”
U wilt daar iets aan doen met Europa Transparant – dat klinkt als de titel van een ambtelijke beleidsnota. Niet bepaald een wervende partijnaam.
Ons programma kent slechts één issue: transparantie. In Europa is daaraan een schrijnend gebrek. Er is een democratisch tekort, geen scheiding der machten, ambtenaren die zwijgplicht hebben… Ik heb dat geprobeerd in twee woorden samen te vatten. Als u dat ambtelijk in de oren klinkt – het zij zo. Zonder transparantie is Europa alleen maar voor een elite, voor clubs die goed zijn ingevoerd, een goed lobbyapparaat bezitten, in loges zitten…
Tegenstanders zullen zeggen dat u gefrustreerd bent omdat u officieel nooit bent gerehabiliteerd.
Erkenning heb ik genoeg gehad: van Zweedse vakbonden, Duitse deelstaten… Ik heb een koninklijke onderscheiding gekregen, en zelfs een boekenprijs.
U treedt dus de politieke arena binnen. Hoe gaat u zich neerzetten?
Ik ben mezelf.
Wie is dat?
Dat is iemand die integer is. Ik denk dat ik dat heb bewezen. De hele bescheiden start van deze verkiezingscampagne is bekostigd uit de royalty’s van mijn eerste boek. Ik denk dat mijn boodschap en integriteit mijn kracht zijn, want ik ben geen Pim Fortuyn. Ik ben niet iemand met een natuurlijk charisma. Ik heb geen verschrikkelijk vlotte babbel.”
Maar je hebt tegenwoordig toch sex-appeal nodig om stemmen te winnen?
Misschien wel, maar ik heb dat niet. En het kan zijn dat het daar op knapt.
Doet dat pijn?
Ik zou willen dat ik een vlottere bek had.
Is het zó erg?
Kijk, richt een camera op me, zet er publiek bij, leg er wat druk op. Dan wordt het direct minder.
Is het niet verstandig om een styliste in te huren? Dat ambtenarenkloffie moet uit.
Zo ben ik niet. Ik ga me niet een ander imago aanmeten. Andere mensen zijn wat dat betreft meer geschikt. Die hebben een grotere mond, een leuker uiterlijk, komen minder stoffig over. Nou ja, die train je even, die geef je een paar slogans mee; zo iemand zal inderdaad een aantal stemmen winnen, maar daar ga ik niet voor.
Wilt u de kiezer niet verleiden?
De kiezer is toch niet dom en gaat toch voor een inhoudelijke boodschap?
Dat weet ik niet.
Misschien ben ik naïef. Maar ik ga voor de boodschap en niet voor de presentatie.
De kiezer zit niet op Brussel te wachten. Kost alleen maar centen.
Bij de vorige verkiezingen was de opkomst dertig procent. Bent u wel sceptisch genoeg om de burger aan te spreken? Wat vindt u bijvoorbeeld van de tien nieuwe lidstaten?
Wanneer die toetreding op een transparante manier gebeurt, stemmen wij ermee in. Die lidstaten moeten op een eerlijke en doorzichtige manier worden behandeld. Er moeten duidelijke afspraken worden gemaakt over wat ze gaan bijdragen en wat ze gaan ontvangen. Als het op zo’n nette manier gebeurt, ga ik akkoord.
En mag Turkije in de EU?
Ik heb daar geen mening over. Dat klinkt als een dooddoener, maar als de meerderheid in Europa vindt dat Turkije er bij mag, en het besluitvormingsproces is goed verlopen, dan heb ik daar geen problemen mee. En als de meerderheid tegen is, dan niet. Kijk, ik ben geen politicus. Ik ben niet iemand die zijn persoonlijke dogma’s -ik ben bijvoorbeeld een gelovig christen en heb bepaalde socialistische reflexen- gaat inbrengen. Wij hebben maar één onderwerp: transparantie.
U moet toch stemmen in het Parlement?
Ik ga alleen maar aan de stemmingen deelnemen als ze ons issue raken.
Dus als er gestemd wordt over de Europese grondwet?
De grondwet zal door ons worden doorgelicht op de mate van controleerbaarheid en verantwoordelijkheid. En als er te veel foute kunstgrepen in zitten, zullen we tegen de grondwet stemmen.
U bent vijf jaar geleden kapot gemaakt door de Commissie; u bent op uw salaris gekort, gedwongen overgeplaatst, u huilde voor de televisiecamera’s. Nu steekt u uw nek wéér in het wespennest. U kunt toch beter zeggen: stik maar met die EU?
Ik heb veertien jaar voor de EU gewerkt, ik ben EU-ambtenaar en ik ben loyaal aan mijnwerkgever. Ik heb uitloyaliteit aan de EU de klok geluid en werk nog steeds vanuit die overtuiging.
Toen ik bij de Europese Commissie in dienst trad, had ik een Europees ideaal. Ik zag Europa als een internationaal samenwerkingsverband waarmee je problemen kunt oplossen die op landelijk niveau niet kunnen worden opgelost. Als je milieuproblemen, werkloosheid of oneerlijke concurrentie wilt bestrijden, dan heb je internationale afspraken nodig. Dat kun je niet in je eigen kleine hokje.
De kiezers houden niet van Europa-idealisten – bent u er een?
Op een bepaalde manier wel. Ik heb wel een dosis scepsis gekregen, maar dat heeft niets te maken met de samenwerking, maar met de invulling die er door bestuurders en de heersende klasse aan wordt gegeven.
U wilt Europa teruggeven aan de burger, maar de burger moet Europa niet.
Ik denk dat de burger Europa wel zou moeten willen. Europa is niet voor de kleine elite die alles bekonkelt. Ik heb het in mijn boek over vrijmetselaarsloges. De Commissie wijst me er in een brief op dat er vrijheid van religie en vereniging is. Maar op het moment dat in loges beslissingen worden genomen die eigenlijk in een democratisch lichaam van de EU genomen hadden moeten worden, dan gaan we een grens over. Dan worden de belangen van een kleine club boven die van de kiezer gesteld.
De EU is toch eigenlijk geen democratisch instituut?
Klopt. De Europese Commissie is weliswaar uit nobele motieven ingesteld, maar het wordt niet parlementair gecontroleerd. Het is een bureaucratisch bastion waarbinnen oncontroleerbare mechanismen zijn ontstaan: lobby-activiteiten, ondemocratische invloeden, loges…
Wat kunt u daaraan doen?
We hebben een volwaardig parlement nodig die de instrumenten heeft om de Commissie te controleren. Maar dat is slechts een deel van de oplossing. De parlementariërs zelf functioneren ook niet. De huidige leden gebruiken de beperkte bevoegdheden die ze wel hebben helemaal verkeerd. Ze verwaarlozen hun controlerende functie.
Ze laten zich met een kluitje in het riet sturen door niet ter zake doende antwoorden van de Europese Commissie. Ik weet niet wat er in de hoofden van de parlementariërs speelt… waarschijnlijk vinden ze het prachtig om een beetje rond te kunnen vliegen, om lekker in het pluche te zitten, om lekker interessant te doen, maar controlerende taken zie ik ze niet uitvoeren.
U bent niet positief over toekomstige collega’s in het Europarlement.
Er zijn parlementariërs die hun werk wél goed doen. Niet veel, maar ze zijn er. Helaas ken ik geen enkele Nederlander die daartoe behoort.
Dat zal u niet in dank worden afgenomen.
Dat maakt mij niets uit – de waarheid moet gezegd worden.
Als u eenmaal in het parlement zit, wat gaat u dan doen met het riante salaris?
Ik ga het niet weggeven. Tegenover de prestaties van een parlementariër moet een fatsoenlijke vergoeding staan. De problemen die ik met het huidige gebruik van vergoedingen heb, is dat je je aan de regels en aan de geest van de regels hebt te houden.
Er zijn voorbeelden van parlementariërs die het drievoudige van hun salaris binnenhalen. Luister, dat is niet zo moeilijk: je vliegt economy, maar declareert business. Je overnacht bij een kennis, maar declareert een eersteklas hotel. Het zijn geen keiharde overtredingen, maar het is niet in de geest van de regels. Je moet je fatsoenlijk gedragen als parlementariër. En alleen maar iets declareren als je ook daadwerkelijk iets hebt uitgegeven.
Zijn er Nederlanders die dat doen?
Ik wil daar geen voorbeelden van noemen.
Een beetje rommelen moet toch kunnen?
Nee, niet. Dan ben ik maar calvinistisch.
Hoeveel stemmen moet u krijgen om in het parlement te komen?
Honderddertigduizend als de opkomst net zo groot is als de vorige keer.
U noemt uzelf naïef. Gaat u dat aantal wel halen?
Ik ben ervan overtuigd. Bovendien kan ik alleen maar naar Brussel terug als europarlementariër. Als EU-ambtenaar is mij de pas afgesneden. De Commissie heeft het niet expliciet gezegd, maar laat er tussen de regels geen onduidelijkheid over bestaan: ik ben niet meer welkom als werknemer. De grootste misdaad die je voor de Europese Commissie kunt begaan, is niet het plegen van fraude, maar het verspreiden van informatie over misstanden.

OPSTAND DER BURGERS

Dit artikel is zeer lezenswaardig; het boek van Couwenberg is verplichte literatuur voor degenen, die de volgende slag ingaan om politieke vernieuwing tot stand te brengen.

15 april 2004

OPSTAND DER BURGERS

de Fortuyn-revolte en het demasque van de oude politiek

Inleiding S.W. Couwenberg bij de presentatie van: “Opstand der burgers – de Fortuyn-revolte en het demasqué van de oude politiek” op 8 april 2004 in de Burgerzaal van het Rotterdamse stadhuis.

De Fortuyn-revolte boekte zo’n twee jaar geleden zijn eerste grote succes in deze stad met de eclatante verkiezingszege van Leefbaar Rotterdam onder aanvoering van Pim Fortuyn; een partij die pas luttele maanden voor de gemeenteraadsverkiezingen was opgericht, maar er desondanks in slaagde de vastgeroeste politieke verhoudingen in deze stad in een klap grondig te veranderen. Na voltooiing van mijn boek over de Fortuyn-revolte en het demasqué van de oude politiek leek het mij een goede gedachte de presentatie van dit boek in dit stadhuis te doen plaatsvinden waar Fortuyn zijn politieke zegetocht begonnen is. Ik zeg Ronald Sørensen, fractie-voorzitter van Leefbaar Rotterdam, gaarne dank voor zijn bereidheid mij in staat te stellen dit boek hier vandaag onder de publieke aandacht te brengen. En wethouder Marco Pastors ben ik erkentelijk dat hij in zijn overvolle agenda enige ruimte vrij heeft kunnen maken om een exemplaar van dit boek in ontvangst te nemen.

In dit boek besteed ik uiteraard ook aandacht aan Fortuyn’s zo succesvolle electorale start in Rotterdam. Laat ik beginnen daar iets over te zeggen. De oprichting van Leefbaar Rotterdam is op zichzelf al een boeiend historisch fenomeen en illustreert opnieuw hoe op het eerste gezicht politiek weinig belangrijk te achten gebeurtenissen op termijn verstrekkende gevolgen kunnen hebben. Gezien het succes van de leefbaarheidspartijen op lokaal niveau en de aanvankelijk veelbelovende oprichting van Leefbaar Nederland als landelijke pendant daarvan had de Rotterdamse Stadspartij van Manuel Kneepkens met het oog op de komende raadsverkiezingen van 2002 daarop ingehaakt door zich te presenteren als Stadspartij Leefbaar Rotterdam. Kneepkens was als lid van Leefbaar Nederland trouwens ook in de race voor het lijsttrekkerschap van die partij. Toen hij echter hoorde dat het bestuur van Leefbaar Nederland vóór het partijcongres zich daarover kon uitspreken al bij voorbaat een duidelijke voorkeur voor Fortuyn als lijsttrekker liet blijken onstak hij in grote woede. Hij achtte dat ondemocratisch en van Fortuyn moest hij bovendien helemaal niets hebben. In zijn ogen was Fortuyn een fascist in Armani-pak. De associatie van de Stadspartij met Leefbaar Rotterdam en zodoende met Leefbaar Nederland is op zijn instigatie meteen losgelaten op een met spoed uitgeschreven ledenvergadering. Daarmee kwam die naam weer vrij.

Het is vervolgens Ronald Sørensen geweest, toendertijd werkzaam als geschiedenisleraar, die toen het initiatief genomen heeft de partij Leefbaar Rotterdam op te richten om te voorkomen dat die naam door extreemrechts in Rotterdam zou worden ingepalmd, maar ook omdat hij na jarenlang geschiedenis gedoceerd te hebben nu zelf wel eens actief deel wilde worden van een historisch veranderingsproces zoals dat in het voetspoor van Leefbaar Nederland door Fortuyn in gang gezet was. Een columnist van het Rotterdams Dagblad vroeg zich vorige maand af: wat is er toch met die man, daarbij doelend op Sørensen? Wat drijft hem? Wil hij erbij horen en door de mensen die ertoe doen geaccepteerd worden? Wel, als dat zijn motief geweest was om in de politiek te gaan, dan had hij zich toch beter kunnen aansluiten bij de partijen van de oude gevestigde politiek dan bij het politieke experiment van een politieke outsider als Fortuyn en zich daardoor met Fortuyn naar de toen heersende opinie te laten etiketteren als nieuw extreem-rechts gevaar. Zonder de woede van Kneepkens over Fortuyn’s dreigende lijsttrekkerschap van Leefbaar Nederland en als reactie daarop het initiatief van Sørensen was Leefbaar Rotterdam niet ontstaan en was Fortuyn niet in staat geweest zijn politieke zegetocht in Rotterdam te starten als succesvolle uitdager van de oude politiek en zodoende Rotterdam voor het eerst in zijn geschiedenis te maken tot koploper in een nieuwe politieke ontwikkeling. Voor even was niet langer Amsterdam de stad die voorop liep in nieuwe politieke ontwikkelingen.

Want de Fortuyn-revolte betekent in mijn ogen inderdaad een beslissende doorbraak naar een nieuwe politieke constellatie en cultuur, al zal dat in dit naar voorzichtige aanpassing neigende land nog wel de nodige tijd in beslag nemen. In mijn boek heb ik dit alles in grote trekken uiteengezet en toegelicht. Zoals het jaar 1968 geldt als het historische jaar waarin de culturele omwenteling van de jaren zestig in Europa manifest tot uitbarsting komt, is 2002 in onze politieke geschiedenis het jaar geworden van de Fortuyn-revolte en daarmee het begin van een nieuw politiek tijdperk. Men spreekt daarom niet voor niets al van het post-Fortuyn tijdperk. Zoals historici spreken van de lange 19e eeuw (beginnend met de Franse Revolutie van 1789 en in 1914 eindigend met de Eerste Wereldoorlog), zo kan men eveneens spreken van het lange jaar 2002. In politiek-historisch perspectief begint dat jaar namelijk in augustus 2001, toen Kok zijn vertrek als leider van de PvdA aankondigde en Pim Fortuyn zijn voornemen kenbaar maakte in de politiek te gaan en deel te nemen aan de Tweede Kamerverkiezingen in 2002. En bij de Tweede Kamerverkiezingen van 22 januari 2003 eindigt in deze politiek-historische interpretatie 2002 als het meest tumultueuze jaar in onze parlementaire geschiedenis.

Ik begin mijn boek uiteraard met eerst de achtergronden van de Fortuyn-revolte te ontleden. Die zie ik gelegen in een tweetal factoren, te weten: enerzijds de jarenlang sluimerende onvrede over de linkse repressie van de kritiek die in brede lagen van de bevolking leefde op het migratie- en integratiebeleid en de criminaliteitsbestrijding en in 2002 dankzij de Fortuyn-revolte tot uitbarsting kwam; en anderzijds de onvrede over de arrogantie, zelfgenoegzaamheid en extreme geslotenheid van de politieke regentenklasse die door Fortuyn eveneens met veel succes aan de kaak is gesteld. Uiteraard besteed ik ook de nodige aandacht aan een verklaring van de oorzaken van de aanvankelijke mislukking van die revolte. Die verklaring pleegt men voornamelijk te zoeken in de interne ruzies binnen de LPF. Ik ben geneigd wat dieper te graven en zoek die verklaring in de eerste plaats in de demonisering van Fortuyn en de daarop volgende politieke moord; en voorts in de breuk van het partijbestuur van Leefbaar Nederland met Fortuyn als lijsttrekker die naar mijn ervaring eveneens een direct uitvloeisel was van die demonisering. Dat heeft er namelijk toe geleid dat Fortuyn in veel te korte tijd een eigen partij uit de grond moest stampen met alle desastreuze gevolgen van dien. Dat resulteerde in de overhaaste oprichting van de LPF en een even overhaaste selectie van Tweede Kamerkandidaten en vervolgens een overhaaste regeringsdeelname van die partij waar zij in de verwarring dier dagen volstrekt niet aan toe was. Dat was mijns inziens een grote politieke blunder waardoor de LPF haar grandioze verkiezingszege en machtspositie razendsnel uit handen heeft laten glippen.

Betekent die mislukking nu het einde van de nieuwe politiek? Allerminst. De strijd daarvoor gaat onverminderd voort. Ondanks de spoedige neergang van de LPF heeft de Fortuyn-revolte zoveel losgewoeld in het politieke landschap dat een terugkeer naar de status quo van weleer niet wel mogelijk lijkt. Aan de noodlottige breuk van het partijbestuur van Leefbaar Nederland met Fortuyn zit overigens een ironische noot die hier niet onvermeld mag blijven. Dat bestuur meende namelijk serieus zonder de te rechts geachte Fortuyn meer succes te kunnen behalen onder PvdA-kiezers. Maar bij de verkiezingen van 15 mei bleek Fortuyn juist onder die kiezers grote aanhang te hebben ten koste van de PvdA en Leefbaar Nederland. Door sociaaldemocratische critici van de Fortuyn-revolte is het electorale succes van die revolte dan ook geïnterpreteerd als primair een kritiek op de actuele positie van de PvdA.

Bij de herdenking van de politieke moord op Fortuyn is vorig jaar van verschillende kanten de vraag geopperd of de door hem geforceerde politieke revolte een vervolg zal krijgen. HP/De Tijd sprak in dit verband van de vacature-Fortuyn. Er zijn te dien aanzien twee mogelijkheden. Of de oude politiek is door de schok van de Fortuyn-revolte zodanig getroffen dat zij alsnog bereid en in staat is de politieke bakens te verzetten waar al jarenlang op aangedrongen is. Zoniet, dan blijft er ruimte voor een nieuw politiek alternatief als vervolg op de Fortuyn-revolte. In beide gevallen staat de Nederlandse politiek in ieder geval voor de opdracht een aantal veranderingsprocessen op gang te brengen en te realiseren die zware eisen stellen aan de kwaliteit van onze politieke elites.

Inzake onze politieke constellatie gaat het daarbij in de eerste plaats om een hervorming van onze politieke bestel op alle binnenlandse overheidsniveaus. Meer nog dan op nationaal niveau is de oude ideologisch gekleurde politiek op lokaal niveau zo dood als een pier. In de jaren zestig werd dat trouwens al geconstateerd. Bij gebrek aan reële politieke alternatieven op lokaal niveau wordt het stemgedrag op dat niveau sinds lang hoofdzakelijk bepaald door de landelijke politiek. Burgemeester Van Walsum signaleerde dat al in 1964 aan de vooravond van nieuwe raadsverkiezingen. De grote verdienste van de leefbaarheidsbeweging op lokaal niveau is dan ook dat zij er in geslaagd is lokale verkiezingen weer meer een lokaal karakter te geven. Na Utrecht en Hilversum is dat in Rotterdam het meest spectaculair aan de dag getreden. Doordat er in die steden op lokaal niveau eindelijk weer iets te kiezen viel dat ertoe deed, steeg dan ook meteen het opkomstpercentage bij lokale verkiezingen.
Nu het steeds meer zwevende electoraat weinig of geen binding meer heeft met oude ideologieën en ideologische controverses wordt politiek leiderschap als belichaming van een bepaalde visie en ambitie als politieke identificatiemogelijkheid steeds belangrijker. Vandaar dat ik daarin een essentieel element onderken van een nieuwe stijl van politiek bedrijven. Een direct gekozen burgemeester is daarvan een logisch uitvloeisel evenals een verschuiving van de oude ideologisch uitgebluste partijendemocratie naar een personen- en kiezersdemocratie zoals we die in de eerste fase van het democratiseringsproces al gekend hebben. Een van de grote doelstellingen van de Fortuyn-revolte is juist die verschuiving op alle binnenlandse overheidsniveaus door te voeren hand in hand met een dualistische relatie tussen enerzijds de volksvertegenwoordiging op die niveaus als kaderstellende en controlerende macht en anderzijds het dagelijks bestuur als bewindvoerende macht. In theorie kennen we dat dualisme al in zekere mate op nationaal niveau. Maar dat is door de partijendemocratie van de oude politiek tot een lege huls gemaakt. Met de introductie van een direct gekozen minister-president die nu ook op politieke agenda staat als politieke optie voor de toekomst en evenals een direct gekozen burgemeester beantwoordt aan de actuele behoefte aan een herkenbare persoonlijke belichaming van een bepaalde politieke visie en ambitie, krijgen we ook op nationaal niveau een helder dualistisch bestel zoals Thorbecke dat beoogde en in zijn voetspoor ook Pim Fortuyn; een bestel waarin het parlement dat nu niet veel meer is dan een verlengstuk van regering en bureaucratie, zijn constitutionele waardigheid als zelfstandige staatsinstelling herkrijgt en zich zodoende kan concentreren op zijn wetgevende en controlerende functies zonder door partijpolitieke overwegingen gehinderd te worden. Dat het dualisme op lokaal niveau nog op heel wat scepsis stuit, o.a. onder wethouders evenals de introductie van een direct gekozen burgemeester is begrijpelijk. Zij betekenen immers een forse inbreuk op lang gekoesterde tradities zoals onze consensus- en regententraditie die beide vanouds gericht zijn op het versluieren en smoren van reële politieke controverses waar Fortuyn juist zo’n hekel aan had. Een tempering van die te ver doorgeschoten tradities is nodig om de lokale democratie te revitaliseren.

Zoals Het Financieel Dagblad eind december in een vooruitblik op 2004 opmerkte, is na de uitbarsting van de volkswoede in 2002 ook het taboe op een renovatie van het oude op veel punten haperende politieke bestel gesneuveld en wordt nu eindelijk gewerkt aan een nieuwe politieke behuizing. Om misverstand te voorkomen, geen enkele politieke hervorming is uiteraard een panacee. Het gaat steeds om een afweging van de voor- en nadelen van de bestaande politieke constellatie tegenover een nieuw bestel met als criteria de volgende twee vragen: welk bestel verdient de voorkeur uit liberaal en democratisch oogpunt en welk uit het oogpunt van effectiviteit en efficiëncy. Een dergelijke afweging is steeds tijd- en plaatsgebonden. En voor het slagen van politieke hervormingen is steeds ook een mentaliteitsverandering nodig die enige tijd vergt. Dat heeft ook Thorbecke ondervonden bij het realiseren van zijn hervormingen. Dat ging toen evenmin van een leien dakje.

Tot de felste bestrijders van de Fortuyn-revolte behoorde ongetwijfeld oud PvdA-coryfee Marcel van Dam. Niettemin liet die zich in een interview met HP in 1986 op belangrijke punten in dezelfde geest uit als de door hem zo geminachte Fortuyn. Dat niemand in de politiek durft te zeggen wat hij echt denkt, dat vond Van Dam toen net zo vreselijk als Fortuyn nadien. Hij zag daarin zelfs een typisch ziekteverschijnsel van de oude politiek. En evenals Fortuyn hekelde hij toen de steriliteit, de verstarring, de naar binnen gekeerdheid en geslotenheid van de oude politiek. Maar in tegenstelling tot Van Dam was het Fortuyn die het lef had die kritiek op de oude politiek tot inzet te maken van doelgerichte politieke strijd. En toen liep diezelfde Van Dam met andere kopstukken van het linkse establishment voorop om Fortuyn te demoniseren als Nederlandse pendant van het rechtse extremisme in Europa. In die zin werd de eclatante verkiezingszege van Leefbaar Rotterdam als koploper van de Fortuyn-revolte onmiddellijk ook geïnterpreteerd. Maar het nieuwe van die Fortuyn-revolte is nu juist dat hij in geen enkel ideologisch of politiek hokje van de oude politiek te vangen is. Fortuyn’s niet aan een bepaalde ideologie of politieke strekking gebonden opstelling bleek ook onmiskenbaar uit de politiek zeer geschakeerde aanhang die op15 mei 2002 op hem gestemd heeft. Tot zijn nieuwtijdse politiek reken ik dan ook een opstelling die dwars door de oude politieke scheidslijnen heen loopt en voornamelijk erop uit is de meest adequate aanpak en oplossing op te sporen voor de knelpunten en problemen die zij op haar politieke weg aantreft; en dus ook een afwijzing van de vaak zo irriterende moraliserende toepassing van de links-rechts tegenstelling als zou het hier gaan om een tegenstelling tussen goed en slecht, waartussen resoluut gekozen zou moeten worden.

In mijn boek heb ik ook toegelicht waarom D66 niets moest hebben van de Fortuyn-revolte hoewel er in bepaalde opzichten een duidelijke verwantschap van die partij was met de politieke inzet van Fortuyn. Zijn revolte was namelijk onmiskenbaar een voortzetting van de politieke rebellie van de jaren zestig voorzover het gaat om het creëren van een alternatief voor de ideologisch uitgebluste partijendemocratie van de oude politiek hand in hand met een versterking van het democratische gehalte van die politiek. Evenals D66 verzet de Fortuyn-revolte zich tegen de voortgaande opmars van een technocratisch opererend bewind achter het rookgordijn van de oude ideologisch gekleurde politiek waarin democratische beginselen verschrompelen tot een mooie façade waarachter in feite een technocratisch en corporatistisch opererende politiek schuil gaat. Voortbouwend op de bereikte ideologische consensus over de grondslagen van onze samenleving distantieert de nieuwtijdse politiek van Fortuyn zich van de sleets geworden ideologische retoriek en dogmatiek van de oude politiek en zoekt zij telkens weer naar nieuwe combinaties van ideologische inspiratiebronnen en van beschikbare kennis en kunde als antwoord op de knelpunten die de maatschappelijke ontwikkeling frustreren. Maar behalve een voortzetting van die politieke rebellie van de jaren zestig was de Fortuyn-revolte ook een pittige afrekening met de eenzijdig links gerichte dominantie van de babyboom-generatie van die jaren in de publieke opinie. Standpunten die afweken van wat naar linkse maatstaven als politiek correct gold werden daardoor veelvuldig gedemoniseerd als extreem-rechts, racistisch en dergelijke. Ik spreek hier uit eigen ervaring.

De hoofdredacteur van de Groene Amsterdammer beweerde onlangs dat rechtse opinieleiders nu de publieke opinie naar hun hand zetten en zodoende op hun beurt bepalen wat al of niet politiek correct is zoals linkse opinieleiders dat jarenlang eerder plachten te doen. Dat zou natuurlijk helemaal indruisen tegen het vrije en open discussieklimaat waar Fortuyn zich juist zo sterk voor gemaakt heeft. Maar linkse opinieleiders wordt sinds de Fortuyn-revolte in geen enkel opzicht de mond gesnoerd zoals men van linkse zijde nog altijd wel probeert te doen. Men moet daar kennelijk nog wennen aan het akelige feit dat links geachte opinies niet langer exclusief de toon aan geven. Zo verklaarde vorige maand op hoge toon PvdA-prominent Thijs Wöltgens dat Nederland een racistisch land aan het worden is naar aanleiding van Cliteur’s kritische stellingname tegen antiwesterse invloeden in onze samenleving. Wöltgens viel daarmee weer terug op een gretig gebruikte strijdwijze van linkse opinieleiders om tegenstanders die zij vanwege bepaalde afwijkende standpunten als rechts etiketteren monddood te maken door ze in een racistische hoek te duwen. Hoe geloofwaardig is die beschuldiging van racisme nog als zij zo vaak te onpas gebruikt wordt als politiek strijdmiddel? Wat mij bij iemand als Thijs Wöltgens overigens opvalt, is dat hij als PvdA-prominent van de ene mooie baan in de andere rolt. Dat doet mij onwillekeurig denken aan een artikel in de Groene Amsterdammer van enkele jaren geleden waarin de baantjesjagerij in de PvdA op de hak genomen werd onder de ironische titel: “Hoe de reëel bestaande sociaaldemocratie kennis, macht en inkomen onder partijgenoten verdeelt”. Uiteraard is dit ook een vorm van solidariteit maar wel een die erg exclusief is.

Wat zeker ook opvalt in de recente geschiedenis van de Fortuyn-revolte is hoe snel de demoniserende reacties daarop zijn omgeslagen in groeiende waardering voor Fortuyn nu hij niet langer als politieke concurrent te duchten valt; ja, hoezeer hij nu, niet het minst in linkse kringen waar hij het meest verguisd is, ten voorbeeld gesteld wordt om zijn politieke stijl en visie. Ook oud PvdA-wethouder Els Kuijper, in 2002 als lijsttrekker van de PvdA volop in de clinch met Fortuyn om de Rotterdamse kiezersgunst en toen heel anti-Fortuyn, toonde onlangs in Rotterdams Dagblad haar bewondering voor Fortuyn vanwege diens capaciteit mensen politiek te mobiliseren en veranderingsprocesen op gang te brengen. De Rotterdamse filosoof Jos de Mul noemde Fortuyn deze dagen in NRC Handelsblad zelfs de perfecte icoon voor de huidige cultuur.

Het politiek-bestuurlijke establishment komt telkens weer in de verleiding het staatsapparaat als zijn eigendom te beschouwen en het dienovereenkomstig ten eigen bate te benutten, onder andere door de belangrijkste publieke functies te reserveren voor de eigen partijgenoten hoewel dat volstrekt in strijd is met het non-discriminatiebeginsel van artikel 1 en 3 van onze grondwet. Hoewel ik dat al sinds de jaren zeventig ter discussie gesteld heb, wordt een discussie daarover tot nu toe angstvallig vermeden. Want daarmee komt de achillespees van de oude politiek die zich voornamelijk in stand houdt dankzij haar politieke benoemingsmacht, akelig bloot te liggen. Fortuyn was de eerste politicus die daar openlijk en met kracht van argumenten tegen in verzet gekomen is en er opnieuw aan herinnerd heeft dat een democratische staat een instituut is van en voor het volk en dus niet gemonopoliseerd mag worden door een politiek-bestuurlijke klasse die haar macht niet ontleent aan eigen verdiensten maar aan het volk dat die elites kiest om in zijn naam tijdelijk ’s lands zaken te bestieren.

De Fortuyn-revolte is door zijn critici in 2002 gekarakteriseerd als een populistische reactie en als zodanig geassocieerd met een appel op rancune, ressentiment en onderbuikgevoelens, met rechts-extremisme en met een achterban die heel cynisch denkt over onze politieke elites, namelijk dat zij vooral uit zijn op eigenbelang en carrière. En historici zagen achter die revolte een NSB-ideologie opdoemen. Ik heb die revolte heel anders ervaren, namelijk als een krachtig protest tegen het democratisch tekort van de oude politiek en een nuttige en nodige poging daarin verandering te brengen. Daardoor is een aantal lang niet of onvoldoende erkende problemen zoals die inzake migratie, integratie en criminaliteit eindelijk op de politieke agenda gekomen en is bovendien op dramatische wijze de kloof bloot gelegd tussen de elites van de oude politiek en het volk aan de basis. Door zijn unieke politieke stijl slaagde Fortuyn er namelijk in een grote schare van politiek verweesd en vervreemd geraakte burgers weer politiek geïnteresseerd en betrokken te maken en hen een eigen stem te geven in onze door politieke regenten en experts gedomineerde politiek. Door zijn toedoen verdween plotsklaps als sneeuw voor de zon de veel besproken kloof tussen burger en politiek waar al sinds jaren machteloos over geklaagd wordt. Wat als kwalijk populisme van de Fortuyn-revolte veroordeeld is ben ik geneigd te rekenen tot een van zijn belangrijkste politieke vruchten.

U zult zich nog herinneren hoezeer Fortuyn terecht gewezen is toen hij de orthodoxe islam een achterlijk, dat wil zeggen in religieus-cultureel opzicht achterlopend fenomeen noemde. Opnieuw zagen zijn critici daarin een uiting van racisme, in strijd als het geacht werd met het non-discriminatiebeginsel van artikel 1 van onze grondwet en krachtens artikel 137d van ons wetboek van strafrecht ook een strafbaar feit, zoals NRC Handelsblad-columniste Elsbeth Etty in een van haar columns nog eens nadrukkelijk onderstreepte. Maar een jaar later – in maart 2003 – noemde diezelfde columniste in NRC Handelsblad de islam heel in het algemeen zelf zondermeer een achterlijk fenomeen. En niemand die daartegen toen protesteerde zoals dat ook het geval was toen VVD-leider Zalm tijdens de verkiezingsstrijd in 2003 zonder gêne en stigmatisering als rechts-radicaal uitriep dat Nederland vol is, wat enkele jaren geleden nog als een strafbaar feit gold. Opnieuw een staaltje van meten met twee maten zoals dat in de politiek zo vaak gebeurt. Ik heb Fortuyn’s kritiek op de achterlijkheid van de islam gerelateerd aan het katholicisme van voor het Tweede Vaticaanse Concilie. Dat werd toen namelijk, getoetst aan moderne principes, evenals nu de orthodoxe islam gehekeld als achterlijk fenomeen vanwege zijn afwijzing van de scheiding van kerk en staat, zijn rigide en vrouwonderdrukkende seksuele moraal en zijn verabsolutering van de eigen religieuze waarheid. Hoewel het katholicisme zich sinds dat Concilie in belangrijke opzichten aangepast heeft aan moderne principes, werd het in 2002 in het Rotterdams Dagblad opnieuw als achterlijk te kijk gezet zonder dat dat enig protest uitlokte. Maar van de islam mag dat niet gezegd worden. Opnieuw meten met twee maten. Dat de afgelopen jaren uitgerekend van linkse zijde islamitische organisaties met extreem-rechtse opvattingen in bescherming genomen en gesteund zijn, illustreert opnieuw hoe kronkelig linkse wegen niet zelden zijn.

De Fortuyn-revolte is een onvoltooid gebleven cruciale interventie in de naoorlogse politieke ontwikkeling en zal de komende jaren tot een afronding gebracht moeten worden om in onze op veel punten stagnerende samenleving – volgens het Centraal Plan Bureau maakt ons land thans de slechtste periode sinds de tweede wereldoorlog door – nieuwe maatschappelijke en politieke ontwikkelingsperspectieven te openen. Daarbij gaat het niet alleen om de strijd voor een meer activerende en inspirerende burgerdemocratie als kern van een vernieuwde politieke cultuur, maar ook om het realiseren van belangrijke beleidsveranderingen zoals de omvorming van onze oude in het slop geraakte en teveel passiviteit opwekkende verzorgingsstaat tot een stimulerende sociale waarborgstaat; een verbetering van de kwaliteit en het prestatievermogen van onze publieke sector; en een versterking van onze internationale economische concurrentiepositie door het huidige te weinig renderende ambitieniveau op te krikken en meer dan voorheen te richten op versterking van onze kenniseconomie.

Met de Fortuyn-revolte werd het behoud en de problematiek van onze Nederlandse identiteit voor het eerst tot inzet van politieke strijd gemaakt. Met de linkse weg-met-ons-mentaliteit, de gêne voor eigen nationale identiteit en nationaal belang op te komen heeft de Fortuyn-revolte resoluut afgerekend. Daarmee trapte Fortuyn wel op veel gevoelige linkse tenen en werd hij daarom neergezet als woordvoerder van een onwelriekend Nederlands spruitjesnationalisme. Fortuyn zou daarbij namelijk uitgaan van een homogene Nederlandse identiteit die anderen zou uitsluiten. Maar dat klopt van geen kanten. Onze religieuze en regionale pluriformiteit stond volstrekt niet ter discussie evenmin als de etnische diversiteit van allochtonen mits zij zich als nieuwe bewoners in voldoende mate integreren in onze samenleving. De homogeniteit van onze politieke cultuur heeft Fortuyn zelfs onbeschroomd geattaqueerd door belangrijke kenmerken ervan zoals onze regenten- en consensustraditie, ter discussie te stellen.

Zijn kritiek op het doorgeschoten migratiebeleid was niet van principiële aard, maar had voornamelijk een bevolkingspolitieke en ecologische achtergrond. U herinnert zich nog wel de commotie over het geruchtmakende interview met Fortuyn in de Volkskrant van 9 februari 2002 dat tot de noodlottige breuk met Leefbaar Nederland leidde. Dat had onder andere betrekking op zijn uitspraak dat Nederland vol is, dat wil zeggen dat de bevolkingsdruk in dit kleine land te groot dreigt te worden. Daarmee week hij in zekere mate af van het verkiezingsprogramma van Leefbaar Nederland. Volgens dat programma had hij niet verder mogen gaan dan te zeggen dat het in dit land erg druk wordt. Die bescheiden afwijking werd door het partijbestuur van Leefbaar Nederland niettemin als een politieke doodzonde ervaren. In mijn boek heb ik eraan herinnerd dat die zo omstreden uitspraak van Fortuyn die PvdA-prominent Thijs Wöltgens dezer dagen nog eens herleidde tot de politieke erfenis van Janmaat, al terug gaat tot de jaren vijftig toen onze regering onder leiding van de socialistische premier Drees met het oog op de te groot wordende bevolkingsdruk in ons land besloot een actief emigratiebeleid te voeren. Nederland telde toen overigens nog slechts tien miljoen inwoners. In de jaren zeventig is op verzoek van het kabinet-Biesheuvel een staatscommissie onder leiding van PvdA-prominent Muntendam ingesteld om onze bevolkingsproblematiek nader in kaart te brengen. Een van de aanbevelingen van die commissie was terugdringing van de te groot wordende migratiedruk. Nadien is het signaleren van die bevolkingsproblematiek onder linkse regie jarenlang een scherp bewaakt taboe geworden tot Fortuyn ook dat taboe onbevreesd onderuit haalde, daarbij tevens wijzend op de subversieve gevolgen voor onze verzorgingsstaat als de migratie niet fors aan banden gelegd zou worden. Ook op dit punt heeft Fortuyn nu vele volgelingen gekregen in kringen waar hij eerst als een groot politiek gevaar bestreden is. Zoals u weet werd zijn pleidooi voor meer kleinschaligheid en herstel van de menselijke maat en voor het grote belang van een gemeenschappelijk beleefd normen- en waardensysteem in 2002 door exponenten van de oude politiek weggehoond als nostalgie naar de spruitjeslucht van die verschrikkelijke jaren vijftig die bij de komende zomermode van dit jaar overigens de toon gaan zetten. Nu is het diezelfde oude politiek die goede sier maakt met deze en andere ideeën van Fortuyn’s eerst zo gekleineerde gedachtegoed.

De oude ideologisch gekleurde politiek die zich na de oorlog succesvol wist te herstellen ondanks de kritiek daarop die toen al leefde en in de Doorbraakbeweging gestalte kreeg, die politiek is aan het einde van haar levenscyclus gekomen. Zij toont namelijk zoveel tekortkomingen dat we toe zijn aan een nieuwe politiek. Die al zo vaak gehekelde tekortkomingen heb ik nog eens op een rijtje gezet. Het gaat daarbij om onze stroperige besluitvorming die zo kenmerkend is voor de oude politiek, haar onduidelijke politiek-bestuurlijke verantwoordelijkheden, haar gebrekkige leervermogen, haar gesloten en in zichzelf gekeerde politiek-bestuurlijke klasse, haar tekortschietende politieke daadkracht, haar ondermaatse prestatievermogen en haar gebrek aan richtingsbesef, nu het verzuilde richtingsbesef van weleer in het postideologische tijdperk niet langer houvast biedt. Vandaar dat ik aan het slot van mijn boek als alternatief van dat verzuilde richtingsbesef de toekomst van Nederland als staats- en cultuurnatie aan de orde stel als uitgangspunt van de vraag hoe we als Nederlandse natie verder moeten, nu we intern te maken hebben met een nieuw type multiculturaliteit en daarmee samenhangende problemen en extern met groeiende Europese bindingen en mondiale afhankelijkheden.

Prof. dr. S.W. Couwenberg is als hoofdredacteur verbonden aan politiek-cultureel tijdschrift Civis Mundi.
Civis Mundi is levensbeschouwelijk en politiek neutraal, zoekt de wenselijkheid plús de haalbaarheid achter linkse en rechtse, religieuze en liberale, vooruitstrevende en behoudende, post- pré- en hedendaags moderne standpunten en verschijnt vier keer per jaar.
De maker zijn Prof. dr. P.B. Cliteur, Prof. dr. S.W. Couwenberg en Drs. R.P.C Bodelier, het redactiesecretariaat is in handen van K.E.E. van der Kolk.

LAND VAN TECHNOCRATEN

Binnenlands Bestuur, 9 april 2004, door Martijn van der Kooij

Al twintig jaar discussieert Nederland over bestuurlijke vernieuwing. Voor het huidige kabinet zijn staatskundige aanpassingen en modernisering van het overheidsbestuur zelfs speerpunten. Helaas, zo constateert Herman Tjeenk Willink in het jaarverslag van de Raad van State, is er nog maar weinig nagedacht over de politieke en maatschappelijke omgeving waarin het bestuur functioneert. Vice-voorzitter Tjeenk Willink stelt dat er voor negatieve gevolgen – bijvoorbeeld de veronderstelde kloof tussen burger en politiek en beleid en uitvoering -oplossingen worden gezocht zonder dat er oog is voor de oorzaken.

Tjeenk Willink schetst in zijn beschouwing een staat waarin de afgelopen decennia voor maatschappelijke organisaties geen plaats meer was in de instituties. Zij zijn verdrongen door ambtelijke adviseurs, beleidsmedewerkers en ingehuurde consultants, waardoor het bestuur en de ambtelijke organisaties de kern van de staat zijn gaan vormen. Dit ambtelijk conglomeraat is in de analyse van de vice-voorzitter bovendien gefixeerd op beleid, regels en controle. Het gevolg is dat professionele uitvoerders zoals doktoren, leraren en politieagenten bedolven worden onder papier. Deze vergaande verambtelijking is volgens Tjeenk Willink de hoofdoorzaak van de slechte conditie waarin de staat verkeert. ‘Zij frustreert het politieke primaat, belemmert de uitvoerders in hun professionaliteit en beperkt de burgers in hun publieke verantwoordelijkheid.’ Wie de oplossingen die Tjeenk Willink bepleit goed leest, kan niet anders dan constateren dat hij de technocratische benadering van de paarse kabinetten een flinke schop na geeft. De vice-voorzitter pleit ervoor ruimte te geven aan volksvertegenwoordigers om het politieke debat te voeren, aan particuliere organisaties om tegenwicht te beiden aan markt en staat en uitvoerders te bevrijden van knellende regels. Dit moet er, in de woorden van Tjeenk Willink, toe leiden dat het hechte verbond van ambtenaren, rekenmeesters, toezichthouders, adviseurs en managers in publieke, semi-publieke en private instanties wordt doorbroken.

Het kabinet lijkt zo op het eerste gezicht op één lijn met de Raad van State te zitten, maar heeft tot nu toe bijzonder weinig laten zien op het gebied van de modernisering van de overheid. Hoewel de ministersploeg nu bijna een jaar geleden is beëdigd, studeert Thom de Graaf nog steeds op het vraagstuk. Wel is bekend dat zijn plan Andere Overheid heet, maar hoe hij dat precies gaat invullen, moet nog blijken. De meeste energie van de bewindsman is tot nu toe gaan zitten in het verdedigen van de gekozen burgemeester en het nieuwe kiesstelsel. Niet alleen de Tweede Kamer is op deze laatste twee punten tot nu toe zeer kritisch. Ook Tjeenk Willink geeft aan weinig te zien in directe democratie als oplossing voor de problemen van de staat. Het is volgens hem geen oplossing voor het gebrek aan politieke prioriteiten waaraan in de ambtelijke organisatie zozeer behoefte is. En ongeacht of dat zo is, lijkt het gezien de analyse van Tjeenk Willink zaak dat Thom de Graaf alles op alles zet om Nederland van zijn technocraten te bevrijden.

COMMISSIE WORSTELT MET NOODSCHOOL OP MOLENVELD

Brielsche Courant, 3 maart 2004

Het leek het college van B&W het beste en ook nog een betaalbare oplossing: een noodgebouw van veertien lokalen plus een gymlokaal direct achter het gemeentehuis op liet Molenveld om de peuterspeelzaal en de scholen de Rank en de Phoenix in te huisvesten. Dat de peuterspeelzaal aan de Gruttostraat ingrijpend verbouwd en gerenoveerd zou moeten worden, stond voor alle partijen vast. Maar over de rest moet toch nog eens nagedacht worden, want 7 ton voor vijf jaar in een noodgebouw blijkt voor VVD, CDA, Gemeentebelangen Rozenburg en de ChristenUnie toch net een brug te ver.

Het werd maandag in de commissie Welzijn een tumult van jewelste. Maar wethouder Hannie Krul-Wouters ontpopte zich als een ijzeren dame. Er is en blijft voor haar maar een aanvaardbare (lees: betaalbare) oplossing, en dat is het noodgebouw achter het gemeentehuis waarbij het gemeentehuis dan ook nog eens als schoolplein gebruikt kan worden. “Och en die enkele keer dat er hier een huwelijk is, is het voor die kinderen ook nog leuk om dat te zien”, verweerde de wethouder zich. De coalitiepartijen Nieuwe Democraten en PvdA stonden hun wethouder kranig hij. Met name Ede-van Dop van de Níeuwe Democraten maakte het Krul wel heel gemakkelijk. Zij las een resumé met voorwaarden voor waarop de wethouder alleen maar ja of nee hoefde te zeggen. Eerder in de vergadering zette Bert van der Vecht, ditmaal niet in zijn hoedanigheid van raadslid doch van voorzitter van de Stichting  Peuterspeelzaal Rozenburg, de penibele situatie aan de Gruttostraat uiteen. Maar ook dat mocht niet baten. GBR gaf aan dat de partij geen noodzaak zag voor een noodschool. De peuterspeelzaal moet aan de Gruttostraat blijven, zo vindt de partij. Volgens CDAer Schellenboom was er wel degelijk een andere oplossing voorhanden. Hij stelde dat de klassen van de deels te verhuizen Phoenix met ingang van het nieuwe schooljaar wel in de dependance van de Rank aan de Maasstraat 4 ondergebracht zouden kunnen worden. Krul leek geen boodschap te hebben aan het politieke gekrakeel. De noodschool op het Molenveld moet er volgens haar al aan het begin van het nieuwe schooljaar staan. In de raadsvergadering wordt het verlossende woord gesproken, maar dan moet de VVD nog wel een draai van 180 graden maken.